De verstoringsactie door de AIVD tegen het Haga lyceum laat een kant van de overheid zien die zorgen baart. Waar de overheden zeggen op te komen voor de democratie, rechtsstaat en bevordering van ‘integratie’, lijkt eerder het tegenovergestelde het geval. Een gezond, kritisch en professioneel wantrouwen richting de AIVD en NCTV is geen overbodige luxe.

Wat te paard gaat en te voet komt…

In een recent artikel naar aanleiding van de verstoringsoperatie van de AIVD, samen met de NCTV en de gemeente Amsterdam tegen het Amsterdamse Haga lyceum, stelt Paul Abels dat we de veiligheidsdiensten meer moeten vertrouwen. De AIVD stelt niet zomaar zaken aan de kaak: dat zou gebaseerd zijn op gedegen bronnenonderzoek. En de AIVD zou ook nog eens gebonden zijn aan allerlei eisen omtrent zorgvuldigheid die dan worden gecontroleerd door toezichthoudende instanties.

Dat laatste is gelukkig ook zo, en wat zien we dan? Dat de AIVD zich niet altijd aan eisen van zorgvuldigheid houdt. Neem het rapport van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) naar aanleiding van de AIVD publicatie ‘Leven bij ISIS, de mythe ontrafeld’ over Nederlandse Syriëgangers. De tekst van deze AIVD publicatie generaliseert overmatig, is onzorgvuldig en beïnvloed door ingrijpen van de NCTV met de bedoeling de rechtsgang te beïnvloeden, aldus de CTIVD. Dat het CTIVD nu eigenhandig een onderzoek instelt naar de gang van zaken van deze publieke verstoringsoperatie zou wel eens een teken aan de wand kunnen zijn.

Ook de onmogelijkheid om de bronnen van de AIVD te checken, is genoeg reden voor wantrouwen. Maar zelfs al zou de AIVD zich keurig aan de regels houden, dan dienen burgers waakzaam te zijn. Neem de casus waarbij een man en vrouw werden gearresteerd en hun kind uit huis werd gehaald. Achteraf bleek het loos alarm, maar zo benadrukten alle autoriteiten, alle regels waren keurig gevolgd. Dat is waarschijnlijk ook zo: loos alarm is onderdeel van het beleid en geen fout. Dat dat ongelooflijke schade aanbrengt aan een gezin en in het bijzonder aan de veiligheid van dat kind, en dat het uit huis halen van een kind een enorm effect had in de kennissenkring, is hoogstens ‘collateral damage’, maar niet iets dat gezien moet worden als een neveneffect of het mislukken van een actie. 

Salafistische wiskunde

En dan is er nu de casus Cornelius Haga. In januari gaf de AIVD aan dat enkele ‘richtinggevende personen’ binnen de school in salafistische kringen zouden verkeren, dat salafisme werd overgedragen in de school (salafistische wiskunde of zo?) en dat mensen binnen de school banden hadden met een terroristische organisatie. Zo zouden volgens de AIVD leerlingen antidemocratische opvattingen en een actieve afkeer van de Nederlandse samenleving worden aangeleerd. Burgemeester Halsema vond dan ook dat het bestuur van de school moest opstappen. De oproep vond steun in sommige islamitische kringen en bij veel politici in het parlement waarbij sommigen aandringen op sluiting en beroepsverboden.

Bewijs werd er niet gegeven en ook dat is voldoende reden tot wantrouwen. Als de AIVD bewijs kon leveren van allerlei problematische zaken hadden ze dit niet op deze manier gespeeld, maar hadden ze achter de schermen geopereerd en was ook de gemeente anders opgetreden. In plaats daarvan gooiden de AIVD en de NCTV een bom in de vijver, om vervolgens te zien welke dode vissen er boven zouden komen drijven. Weinig of geen is het resultaat, maar dat het schoolbestuur zich uit de tent heeft laten lokken is voldoende. Dat deze actie stigmatiserende effecten zou kunnen hebben werd door Schoof, voormalig NCTV en tegenwoordig hoofd van de AIVD, betreurd, maar hij zou het zo weer doen: “Het is onze taak om te waarschuwen tegen anti-integratieve tendenzen die de democratische rechtsorde ondergraven.”

Salafisme!

De casus van het Cornelius Haga Lyceum is volledig in lijn met het staande aanpak van anti-radicalisering, maar tegelijkertijd ook iets nieuws. Wat bij mijn weten nieuw is, is de openlijke manipulatie of verstoring die de AIVD in samenwerking met anderen toepaste in deze casus. Maar doordat de diensten en de gemeente zo opereerden, is ook iets anders blootgelegd: de stigmatiserende en ondermijnende werking van het radicaliseringsparadigma dat in Nederland en andere Europese landen zo dominant is.

De term salafisme is daarbij verworden tot een soort beschuldiging: moskeeën en nu ook een islamitische school worden gedwongen om te zeggen “nee we zijn geen salafist”. Alsof het verboden zou zijn om een salafist te zijn (voor de helderheid: dat is niet zo). Dat is niet zonder risico. We hebben al eerder gezien hoe het extreem-rechtse Voorpost het idee dat de school salafistisch zou zijn, aangreep om actie te voeren met slogans tegen salafisme, maar ook tegen islam in het algemeen. In de casus van het Haga Lyceum zien we hoe extreemrechtse voorlieden, maar ook allerlei andere meer gematigde politici opriepen tot bijvoorbeeld het ter discussie stellen van bijzonder (lees islamitisch) onderwijs en een beroepsverbod voor leraren.

Stigmatisering van moslims als basis voor het beleid

Maar het stigmatiserende karakter is meer dan een effect van het beleid en betreft meer dan alleen het ‘salafisme’. In het boek Radicalization in Belgium and the Netherlands – Critical perspectives on violence and security (Fadil, De Koning en Ragazzi 2019) laten diverse auteurs zien dat het anti-radicaliseringsbeleid in de praktijk begint met het viseren van moslims in een zo vroeg mogelijk stadium om signalen van radicalisering voor te zijn.

Sinds de jaren negentig gaat het bij veiligheid niet alleen om het voorkomen van politiek geweld. Het ging de veiligheidsdiensten in die periode ook om zogeheten anti-integratieve tendensen terwijl in diezelfde periode islam juist steeds meer en meer als hindernis voor integratie werd aangemerkt door zowel links als rechts in de politiek. Vooral na 9/11 en meer nog na de aanslagen in Madrid en de moord op Van Gogh is dit echt uitgewerkt in een beleid. Dat beleid richt zich weliswaar officieel niet exclusief op moslims en zeker niet op alle moslims, maar in de praktijk worden al bijna 20 jaar alleen moslims geviseerd. Daarbij worden moslims in dit land onderverdeeld in een groep die het risico loopt te radicaliseren (jongeren in achterstandssituaties bijvoorbeeld), een groep die het risico is (de zogeheten salafistische aanjagers bijvoorbeeld) en een groep die op voorwaarden mee mag werken met de overheid tegen radicalisering en voor integratie. Moslims zijn daarmee per definitie verdacht en hun religie fungeert als risico-factor en red flag.

Zo ontstaat een raciale profilering van moslims: ideeën over hun afkomst, over hun ideologische denkbeelden en over marginalisering, komen samen in een voortdurend wantrouwen. Dit wantrouwen wordt soms gemaskeerd door termen als risico’s voor de veiligheid of zorgen over individuen, groepen en organisaties.

Problematisch gedrag, oprekken en inperken van het begrip veiligheid

De laatste jaren heeft deze samensmelting van veiligheids- en cultuurdenken ervoor gezorgd dat moslims gemonitored worden ook al hebben ze geen aantoonbaar strafbaar feit gepleegd. In de casus van het Cornelius Haga Lyceum is de rol van de Taskforce Problematisch Gedrag en Ongewenste Buitenlandse Financiering illustratief in deze. Deze werkgroep bestaat uit afgevaardigden van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Binnenlandse Zaken (met de AIVD) en Justitie en Veiligheid (met de NCTV).

Het doel van de taskforce is ‘het mogelijk te maken uitwassen tegen te gaan die op basis van ideologische of religieuze overtuigingen leiden tot actieve onverdraagzaamheid en/of het belemmeren van anderen in het uitoefenen van hun grondwettelijke rechten en vrijheden.’ Signalen moeten worden doorgegeven zodat de diensten kunnen handelen: de veiligheid en privacy van individuen in kwestie staat nauwelijks in de aandacht. Enerzijds hebben de veiligheidsdiensten dus het begrip veiligheid verbreed naar zaken die te maken zouden hebben met integratie en democratie en anderzijds is het ingeperkt doordat de spanning tussen anti-radicalisering en grondrechten en grondwettelijke vrijheden volkomen genegeerd wordt.

Een klusje voor de taskforce

Het stigmatiserende gevolg van deze actie tegen het Haga Lyceum is niet zomaar een averechts gevolg van het beleid: het maakt deel uit van het beleid zelf. En dat is best opmerkelijk voor een beleid dat juist als doelstelling heeft de rechtsstaat en grondwettelijke vrijheden voor alle burgers te beschermen. Volgens de eigen criteria van de overheid over anti-integratief en anti-democratie activiteiten, maken de diensten en gemeenten zich hier zelf schuldig aan problematisch gedrag: stigmatisering, het in gevaar brengen van de grondrechten van burgers en van hun veiligheid. Misschien dat de taskforce problematisch gedrag en buitenlandse financiering hier eens naar kan kijken?

Een verkorte versie van dit stuk werd eerder gepubliceerd in Trouw.