Als mannen die moslim zijn en die geweld plegen altijd gedreven worden door ideologie en witte mannen die geen moslim zijn en geweld plegen altijd verward zijn, waarom leidt het eerste dan tot een anti-radicaliseringsbeleid en het tweede niet tot een groot bevolkingsonderzoek naar de geestelijke gesteldheid van witte mannen? Het lijkt me te maken te hebben met de link die we leggen tussen ‘de islam’ of ‘jihadistische ideologie’ en geweld. Wat leren de bestaande onderzoeken ons nu over die relatie?

Wetenschappelijke benaderingen

Grofweg zijn er twee benaderingen: religie-specifiek en algemene verklaringen. Het verschil daartussen is het meest simpel aan te geven aan de hand van een stelling in het Franse publieke intellectuele debat hierover tussen mensen als Gilles Kepel en Olivier Roy. De eerste zoomt vooral in op religie-specifieke verklaringen en heeft het over de radicalisering van islam en moslims en de tweede zoekt het in algemene verklaringen en heeft het over de islamisering van radicalisme. Hieronder in het kort de kenmerken van deze benaderingen (die natuurlijk nogal schetsmatig worden weergegeven).

Religie specifiek

Deze benaderingen gaan ervan uit dat religie iets extras toevoegt aan gewapende conflicten dat bij andere conflicten meestal afwezig is. Religieuze identiteiten, ideologieën en organisaties veranderen politieke conflicten zo of brengen deze teweeg op manieren die andere identiteiten, ideologieën en organisaties niet kunnen. Religieus geweld heeft een eigen logica die het onderscheid van andere vormen van geweld en moeten dus ook in eigen termen verklaard worden.

Een belangrijke stelling hierbij was dat monotheïstische godsdiensten, zoals jodendom, christendom en islam, sterker verband zouden houden met geweld en vervolging dan de polytheïstische godsdiensten die toleranter zouden zijn. In het bijzonder christendom en islam zouden geweld daarbij vooral naar buiten gericht hebben (in de vorm van kruistochten en jihad) en het jodendom veel meer naar binnen. Deze verklaringen komen het dichtste bij de populaire stelling dat islam de bron is van het hedendaagse geweld onder en door moslims vanwege het monotheïstische karakter, de claim op waarheid en de teksten van de Koran die tot geweld zouden inspireren. Vooral mensen als Dawkins, Harris en Hitchens zitten op deze lijn die echter door geen enkele serieus onderzoek wordt gestaafd.

Religies en in het bijzonder sommige stromingen binnen religies hebben sterke apocalyptische verhalen over het Einde der Tijden; deze zouden een grote rol spelen bij gewelddadige organisaties. Het sterke causale verband dat met name in deze hoek wordt gezocht tussen religie, apocalyptische voorstellen en geweld is vrij makkelijk te ontkrachten. Als dat causale verband er zou zijn, zou er immers veel meer geweld zijn. Geweldsretoriek speelt een rol bij daadwerkelijk geweld, maar geweldsretoriek is eigenlijk helemaal niet zo uitzonderlijk terwijl gewelddadige actie dat wel is en het is bijzonder moeilijk om het effect van dergelijke retoriek echt aan te tonen (dat geldt ook voor racistisch en nationalistisch gemotiveerde geweldsretoriek overigens).

De directe relatie tussen geweld en religie wordt over het algemeen ook in deze benadering daarom terecht van de hand gewezen. Religie kan wel op verschillende andere manieren een rol spelen binnen deze benaderingen. Allereerst kan het doel en belang van conflict en geweld in religieuze termen worden gedefinieerd, bijvoorbeeld de vestiging van een kalifaat of het ‘zuiveren’ van de gemeenschap van interne vijanden. Ten tweede kan religie ingezet worden voor een zestal belangrijke processen die van belang zijn bij geweld 1) het bijdragen aan een sterke, absolute betrokkenheid bij een politiek, moreel of religieus doel dat niet onderhandelbaar is 2) het bieden van krachtige, gezaghebbende wij-zij indelingen die gepaard gaan met het idee van een ultieme urgente dreiging 3) het bieden van rechtvaardigingen, beloningen en bestraffingen voor specifiek gedrag in hier en nu en in het hiernamaals 4) het geven van betekenis aan gevoelens en ervaringen van vernedering en schending van de eigen waardigheid 5) het geven en scheppen van gevoelens van verbondenheid die de landsgrenzen overstijgen en mondiaal zijn en 6) een specifieke organisatiestructuur die vatbaar kan zijn voor geweld bijvoorbeeld wanneer er een sterke interne competitie tussen groepen is.

Het lastige is dat die zes punten voortdurend aan verandering onderhevig zijn onder meer door conflicten en dus niet per se uitsluitsel geven op de vraag of radicalisering nu gedreven wordt door ideologie of dat ideologie een uitkomst is van radicalisering.

Algemene benaderingen van etniciteit, geweld en conflict

De algemene benaderingen van religie en geweld geven aan dat religieuze identiteiten, ideologieën en organisaties niet wezenlijk anders werken dan andere. Conflicten waarin religie een rol speelt kunnen dan ook het best behandeld worden als alle andere gewelddadige conflicten. Binnen deze benaderingen wordt er voortdurend op gewezen dat er niet zoiets bestaat als een religieus conflict. Sterker nog, de term zelf betekent dat men legitimiteit verleent aan politici en geestelijk leiders die een conflict als religieus willen definiëren.

Binnen deze benaderingen wordt niet gesteld dat religie geen rol speelt bij het mobiliseren van mensen, maar hoe deze factor te isoleren in de analyses is een probleem aangezien religie, etniciteit en nationalisme volledig door elkaar kunnen lopen. Religie wordt in deze verklaringen meestal als een vorm van etnische identiteit gezien die relevant kan worden in specifieke omstandigheden en in specifieke interacties. Een conflict is dan niet zozeer religieus of etnisch, maar wordt gereligioniseerd of ge-etniseerd (vergelijk bijvoorbeeld Roy’s these dat IS geen radicalisering van de islam is, maar een islamisering van radicalisme).

In deze verklaringen spelen religieuze, politieke en etnische entrepeneurs een grote rol: zij zijn degenen die dingen doen met conflicten: framing, opruiing of juist verzoening, mobilisering, enzovoorts. Hier zien we ook dat deze benadering en de religie-specifieke benadering niet zo gescheiden zijn; de zes punten die hierboven zijn genoemd komen hier ook terug maar dan met de nadruk op wat politieke en religieuze entrepeneurs doen met cultuur, religie, etniciteit en nationalisme. In feite doen deze verklaringen weinig met religie, maar vooral met etnische identiteit.

De twee benaderingen zijn deels strijdig met elkaar, gezien de plaats die aan religie wordt toegekend, maar vullen elkaar dus ook aan. De religie-specifieke verklaringen laten zien wat de plaats is van geweld en de legitimatie, aansporingen en beperkingen binnen specifieke tradities, maar de algemene benadering verklaart beter waarom zulke diverse vormen van geweld op bepaalde momenten en op bepaalde plaatsen de kop op steekt en welke belangen daarbij een rol spelen. In sommige benaderingen worden beide invalshoeken dan ook geïntegreerd waarbij de focus ligt op de rol van organisaties en politieke entrepreneurs in plaats van op de inhoud van de religie en ze gaan in op hoe individuen religie en etniciteit gebruiken voor hun eigen deelbelangen. In het bijzonder wordt binnen deze benaderingen steeds meer gelet op de relatie tussen die entrepeneurs en de bevolking en hoe geweld meestal specifieke groepen treft.

De kritische benadering

In het onderzoek naar de relatie tussen geweld en religie vormen de algemene verklaringen vaak een correctie op de religie-specifieke verklaringen die, zeker in de meest generaliserende en ruwe vorm, de aanwezigheid van religie (en zeker islam) als voldoende verklaring beschouwen voor het uitbreken van geweld en onvoldoende rekening houden met de lokale dynamieken tussen groepen en de lokale politieke en historische context.

Binnen wat ik maar even de kritische benadering noem, wordt vooral gekeken naar de geschiedenis van bepaalde concepten (zoals radicalisering en terrorisme), hoe deze zich ontwikkeld hebben en hoe deze ingezet worden in onderzoek, beleid en debat. Een belangrijk aspect van deze benadering is dat kanttekeningen worden gezet bij de wijze waarop geweld en ideologie worden ingekaderd: namelijk als zaken die bestreden moeten worden. Dat is op zich begrijpelijk maar het ver-engt het perspectief naar probleem-oplossing in plaats van het begrijpen van fenomenen. En in dat perspectief van probleem-oplossing zien we dat vooral het perspectief van de staat gekozen wordt en dat staatsperspectief nauwelijks kritisch belicht wordt.

Een belangrijk bezwaar tegen de religie-specifieke verklaringen is dat de termen ‘religie’ en ‘religieus’ (en ook ‘islam’ en ‘islamitisch’) niet geschikt zijn als analytisch gereedschap. Immers, wat telt als religie en wat niet, of wat islamitisch is en wat niet, wordt voortdurend betwist zowel in wetenschappelijk onderzoek als in publieke debatten. In de kritische benadering wordt bijvoorbeeld een term als ‘islamitisch terrorisme’ onderworpen aan een kritische reflectie op het ontstaan en gebruik ervan. De term islamitisch terrorisme zo blijkt uit dergelijke analyses houdt nauw verband met allerlei racistische beelden over Arabieren en moslims die (al dan niet vanwege de islam in het algemeen of de Koran in het bijzonder) meer geneigd zouden zijn tot geweld. Een dergelijk verband wordt in de literatuur eigenlijk voortdurend gelogenstraft, maar zou niettemin toch een rol spelen in ons taalgebruik en daarmee in de analyses.

Ook in de meer genuanceerde benaderingen zou het idee dat het gewelddadig handelen van moslims een direct resultaat is van religieuze doctrines die in de Koran of in de hadith zouden staan of ‘gewoon’ zouden zijn in ‘de islamitische cultuur’ nooit helemaal weg zijn. De recente discussie over salafisme en jihadisme heeft daar inderdaad veel van weg wanneer bijvoorbeeld door politici wordt gesteld dat het salafisme een springplank is naar jihadisme vanwege de denkbeelden die daaraan toegeschreven worden door diezelfde politici. In het onderzoek komen we dat minder tegen, maar wel zien we dat allerlei termen die op zich heel vaag zijn (zoals islamisme, wahabisme, salafisme, extremisme, radicalisme, fundamentalisme, radicaal, gematigd) in sterke mate gedefinieerd worden op basis van statische, islamitische, doctrines. Daarmee wordt toch indirect gesteld dat het handelen van moslims het resultaat is van die doctrines.

Het publieke debat en beleid

De door mij aangeduide kritische benadering is niet los te zien van het publieke debat over religie en geweld en over islam en geweld. Het idee is namelijk dat de vooronderstellingen die daar spelen ook in onderzoek een rol spelen. De benadering is dan ook vooral te zien als een, mijns inziens noodzakelijke, kritische reflectie op de andere twee benaderingen zonder overigens per se die benaderingen volledig naar de prullenbak te verwijzen.

De in het publieke debat vaak gehoorde stelling ‘islam made them do it. period.’ speelt in onderzoek (en ook in beleid en uitvoering trouwens) nauwelijks een rol. Dat is niet zo verwonderlijk. In de ‘islam made them do it’ verklaringen wordt islam in deze discussie voorgesteld als iets dat statisch is, terwijl het gedrag van de meer dan 1 miljard moslims zeer divers is en voortdurend verandert. Dat geldt ook voor het politieke geweld dat door een kleine groep wordt uitgeoefend. Dus een statische factor moet de diversiteit en dynamiek aan gedrag onder een kleine groep moslims verklaren? Onzin.

In het publieke debat speelt ook mee wat voor ideeën we hebben over het type religie dat aanvaardbaar is. Niemand zal problemen hebben met de stelling dat als Nederlanders worden aangevallen ze zich mogen verdedigen zelfs niet als dat uit nationalistische overwegingen gebeurt. Maar in een seculiere samenleving lijkt het problematisch als mensen zeggen dat ze zich uit religieuze overwegingen verdedigen: dat hoort niet bij wat men een acceptabele religie vindt.

Daar tegenover, en vaak in reactie op sweeping statements over ‘de islam en de moslims’, staat dan het idee dat de islam een vredelievende godsdienst is. Dat wordt vaak niet gezien als moslims die een acceptabele vorm van religie eropna houden, maar als een ontkenning dat islam een rol speelt voor degenen die tot geweld overgaan. Er wordt dan gewezen op het feit dat islam net als iedere religie haar eigen bepalingen heeft over wie, wanneer en hoe geweld mag gebruiken. En er wordt gewezen op het feit dat er in het verleden ook strijdtonelen zijn geweest die werden gelegitimeerd en geinspireerd vanuit de voorkomende interpretaties van islam. Dat is natuurlijk ook zo, maar als je de statements goed leest zijn deze veelal eerder een weigering van individuele moslims om zijn/haar religieuze beleving in verband te brengen met geweld. En om wat men ziet als iets moois, rechtvaardigs en goeds te laten vertroebelen door een associatie met meedogenloosheid en ongebreideld geweld. Anders kun je immers niet verklaren waarom dezelfde islamitische organisaties die verklaren dat islam vreedzaam is, in hun anti-radicaliseringsplannen wel degelijk rekening houden met de gewelddadige inspiratie die mensen uit de islam kunnen halen.

Een ‘islam made them do it’ idee werkt uitstekend om het geweld van moslims te racialiseren. Zeker wanneer dat door commentatoren en politici zoals Zijlstra tegen over het ideaalbeeld van de vrije, tolerante en vreedzame seculiere wereld wordt gezet. En je zou je kunnen afvragen of hier ook niet de basis ligt van het idee dat wanneer witte mannen die geen moslim zijn overgaan tot politiek geweld, ze wel verward moeten zijn. Zij zouden dan immers niet handelen in overeenstemming met het ideaalbeeld van de rationele, vreedzame en tolerante man, maar in afwijking ervan. Hij kan als individu behandeld worden terwijl de moslim als onderdeel van een collectief behandeld zou moeten worden. Natuurlijks is het een ideaalbeeld, die vrije tolerante en liberaal-seculiere witte man, dat volstrekt onhoudbaar is. Wanneer we immers de twintigste eeuw bekijken dan zien we het nodige geweld door regimes die niet religieus te noemen zijn bijvoorbeeld door de fascisten en communisten in Europa. En wat te denken van de inval in Irak in 2003 uit naam van democratie, vrede en vrijheid? Maar denk ook aan de slachtoffers van racistisch geweld inclusief het geweld tegen moslims. Dergelijke uitspraken en sweeping statements over ‘de islam’ zijn ook beter te zien als ideologische statements in het debat over islam en Europa, hoe moslims geracialiseerd worden en moslims daar dan weer op reageren.

Belangrijkste bronnen:
Brubaker, Rogers (2015). “Religious Dimensions of Political Conflict and Violence.” Sociological Theory vol. 33 no. 1:1-19
Gorski, Philip S. and Gülay Türkmen-Dervişoğlu. (2013). “Religion, Nationalism, and Violence: An Integrated Approach.” Annual Review of Sociology 39(1):193–210.

Zie ook:
Dalgaard-Nielsen, Anja (2010). “Violent Radicalization in Europe : What We Know and What We Do Not Know.” Studies in Conflict and Terrorism, Vol. 33(9):797–814.

Della-Porta, Donatella (1995). Social Movements, Political Violence, and the State. A Comparative Analysis of Italy and Germany. Cambridge: Cambridge University Press.

James D. Fearon and David D. Laitin. (2000). “Violence and the Social Construction of Ethnic Identity.” International Organization, Vol. 54(4):845-877