Nog geen week geleden kwam een Nederlandse politieke partij met een statement dat aangaf waar zij voor staat:

‘een open, tolerant, democratisch Nederland waar individuele eigenschappen bepalend zijn, en niet sociale klasse, huidskleur, ras, geslacht of seksuele geaardheid.’

Dit statement mag opmerkelijk genoemd worden van een partij waarvan de lijsttrekker niet alleen vijf uur lang in gesprek gaat met een bekende Amerikaanse rassenideoloog Taylor (het statement was een reactie op het nieuws over dat gesprek). Maar waarvan de lijsttrekker zelf ook openlijk pleit voor het behoud van witte suprematie: ‘Ik wil dat Europa dominant blank blijft en cultureel zoals het is’ (opvallend dat cultuur/religie niet in bovenstaand statement genoemd worden):

De meeste politieke partijen in Nederland zouden het eerste statement zeker omarmen, maar het niet zo bont maken als Baudet in dat interview. Niettemin, het idee van witte suprematie is ook weer niet zover verwijderd bij andere partijen, maar dan meestal verwoord in termen van onverenigbaarheid van culturen, zoals Rutte deed:

De kloof tussen het zelfbeeld van een open en tolerante natie terwijl tegelijkertijd racisme welig tiert, genormaliseerd is en zelfs onderdeel is van beleid, is het idee achter het boek White Innocence van Gloria Wekker dat ik hier zal bespreken (ik ga uit van het Engelstalige boek, niet de vertaling). Zij kijkt niet alleen hoe het onvermogen van witte Nederlanders om het koloniale en racistische verleden te herkennen en erkennen een rol speelt bij het instandhouden van racisme. Het gaat er ook om hoe dat verleden ‘witgewassen’ wordt waardoor we ons geen rekenschap hoeven te geven van dat verleden en waardoor we ook nog eens trots kunnen zijn op de VOC-mentaliteit en onze tolerantie.

Hoe het koloniale rijk vandaag nog resoneert

Wat Wekker niet doet is analyseren in welke mate dat dat culturele archief aanwezig is in de Nederlandse bevolking of Nederlandse instituties. Vandaar ook dat ze in interviews voortdurend aangeeft niet iedere Nederlander voor racist uit te maken. Haar boek gaat daar niet over. Wat Wekker wel doet is beargumenteren hoe het culturele archief van het Nederlands kolonialisme en imperialisme werkt en terugkomt in hedendaagse interacties en culturele producten. Het centrale punt van Wekker is dat het onmogelijk is om honderden jaren een koloniaal rijk te besturen zonder dat dat zijn sporen nalaat zelfs wanneer dat koloniale rijk niet meer bestaat. Een belangrijk begrip in haar boek is ‘cultureel archief'; een concept dat ze ontleend aan Culture and Imperialism (1993) van Edward Said. Het culturele archief is een immateriële opslagplaats van documentatie die bestaat uit beelden, herinneringen en ervaringen met het koloniale verleden. De term archief doet wat statisch aan, mijns inziens, maar we kunnen het zien als een dynamische matrix waarin voortdurend de betekenissen van die beelden, herinneringen en ervaringen worden ingeschreven. Wat Said wilde doen met dit begrip is niet slechts het deconstrueren van het culturele archief, maar het analyseren van hoe het imperalisme en het verzet daartegen terug te vinden is in academische, literaire en andere teksten. Hij deed dit door te zoeken na hoe er meerdere tegenstrijdige vertogen schuil gaan in die teksten op basis van een thematische analyse en een analyse van de interactie tussen die vertogen: een zogeheten contrapuntal analysis. Op basis daarvan kun je een alternatief construeren ten opzichte van wat het dominante verhaal.

Deze methode is uitstekend geschikt voor wat Wekker wil doen: een analyse van de selectieve zichtbaarheid en onzichtbaarheid van het koloniaal verleden in het hedendaagse Nederland is haar belangrijkste casus. Door in te gaan op het fenomeen zwarte piet, homonostalgie, de witte universiteit en de Hottentot Nymphae probeert Wekker inzichtelijk te maken hoe de selectieve zichtbaarheid en onzichtbaarheid van het koloniale verleden ertoe bijdraagt dat het dominante zelfbeeld in Nederland is dat we niet-racistisch zijn en onschuldig zijn.  Dit baseert ze op archiefmateriaal maar ook op eigen ervaringen met racisme in auto-etnografische vignetten.

Wetenschappelijke interpretatie

Daarmee staat Wekker in een lange traditie van interpretatief wetenschappelijk onderzoek op basis van close reading, thick description en zelfreflectie waarmee ze specifieke verschijnselen probeert te begrijpen en te verklaren. Het is makkelijk, zoals Miko Flohr heeft betoogd, om “vanaf de zijlijn te roepen dat het allemaal statistisch significant onderbouwd moet worden, maar bij veel van de situaties die ze bespreekt is dat simpelweg niet aan de orde.” En dat is nogal eens het geval als het om mensen gaat. Immers, niets zo veranderlijk als de mens en onderzoek met mensen is veelal niet in een laboratorium waar je alle omstandigheden kunt controleren.  Daarom zijn er andere wetenschappelijke tradities ontwikkeld naast de positivistische (met haar nadruk op objectiviteit, meten is weten en het idee dat de werkelijkheid objectief bekend en beschreven kan worden). Deze wetenschappelijke tradities houden meer rekening met subjectiviteit, de rol van de onderzoeker en zijn/haar positie en rol als betekenisgever. De bevindingen uit deze tradities zijn weliswaar vaak niet statistisch generaliseerbaar, maar zijn wel theoretisch generaliseerbaar (zoals Wekker doet) en geven inzicht over de aard van bepaalde verschijnselen en ontwikkelingen.

Neem bijvoorbeeld een menselijke handeling als een knipoog (beschreven en uitgelegd door antropoloog Clifford Geertz). We kunnen best vaststellen hoe vaak mensen dit doen, maar wat betekent die handeling? Is het een vuiltje in iemands oog, een flirt, een teken dat iemand een grapje maakt, een zenuwtrekje. En hoe wordt dit door de omgeving geïnterpreteerd? Dat achterhalen is thick description en dat doe je door met mensen te praten, door de mondelinge en geschreven verhalen waarin die handeling voorkomt tot je te nemen, door de sociale en politieke context van de handeling in ogenschouw te nemen, door te analyseren wat collega’s erover geschreven hebben en door kritiek te krijgen en het wetenschappelijke debat aan te gaan.

Ze is niet de eerste die het selectieve wegkijken van het koloniale verleden bespreekt door de lens van racisme. Andere gerenommeerde academici zoals Melissa Weiner en Ann Stoler gingen haar voor. De laatste muntte onder meer de term ‘afasie’ omdat dit selectieve wegkijken resulteert in een onvermogen om op een bepaalde manier over dat koloniale verleden te spreken. Natuurlijk wordt de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd besproken, maar dan onder de term politionele acties. We ‘vieren’ dat wij de slavernij hebben afgeschaft. Wekker richt zich hierbij overigens niet alleen op racisme, maar ook op (zoals Stoler dat ook doet) op gender en met name op de vraag op welke wijze gender en racisme elkaar kruisen in ons dominante zelfbeeld. Ook in andere wetenschappelijke disciplines wordt gediscussieerd over hoe het verleden doorwerkt in het heden, bijvoorbeeld als het gaat om de slavernij in de VS.

De paradox van de witte onschuld

Hoe de dominante zelfperceptie van wit Nederland zich verhoudt tot dat cultureel archief van 400 jaar kolonialisme, hoe dat archief die zelfperceptie vormt is het onderwerp van het boek. Zij stelt dat het Nederlandse koloniale verleden voor een groot deel bepaalt hoe wit Nederland omgaat met racisme en ideeën over wat een ras is. Enerzijds, zo laat ze zien, wordt te vuur en te zwaard bestreden dat racisme, seksisme in Nederland structurele fenomenen zijn, maar anderzijds zijn er voorbeelden van racisme, xenofobie en seksisme aan de orde van de dag zoals met het etnisch profileren door de politie (dat we, let op, dus geen racial profiling noemen) en de intolerante en openlijk virulente manifestaties van racisme in het debat over Zwarte Piet.

Die paradox wordt per hoofdstuk anders belicht en geanalyseerd. In het eerste hoofdstuk komen alledaagse vormen van racisme aan bod. Hierin maakt ze aannemelijk op welke wijze minderheden steeds weer te horen krijgen en ervaren hoe ze Anders zijn: ‘anders’ dan de dominante witte bevolking. En hoe dat proces telkens ‘onschuldig’ wordt gemaakt, bijvoorbeeld door te stellen dat het maar een grapje was. Net als in het eerste hoofdstuk, spelen ook in het tweede hoofdstuk haar eigen persoonlijke ervaringen een rol in haar analyse. Het gaat in dat hoofdstuk om de rol van ras in het politieke en in het academische veld; of beter gezegd hoe dat onderwerp vermeden wordt en het ongemak dat omhoogkomt wanneer het wel aan de orde wordt gesteld.

Het derde hoofdstuk, een van de meest interessante mijns inziens, gaat het om een heel bijzondere casus uit 1917: de hottentot nymphae en hoe met vrouwen werd omgegaan die hiervoor bij een psychoanalist kwamen. Het vierde hoofdstuk gaat over de relatie tussen ras en homoseksualiteit hetgeen ze analyseert via het begrip homonostalgie. Zij gaat hier onder meer in op Fortuyn en diens openlijke verklaringen over zijn genot in seksuele contacten met Marokkaans-Nederlandse jongens en ze behandelt rol van homoseksualiteit in relatie tot islam in Fortuyns politiek en de steun van homo’s voor de PVV. Dit is niet het meest sterk onderbouwde hoofdstuk (een internetpoll gebruiken, in een eerder hoofdstuk, als onderbouwing van de steun van homo’s voor de PVV is gewoon niet handig). Het maakt haar punt overigens niet ongeldig, maar Wekker gebruikt hier relatief weinig van de beschikbare literatuur over homonostalgie en homonationalisme en dat wreekt zich in dit hoofdstuk. In het vijfde hoofdstuk over Zwarte Piet brengt ze de verschillende lijnen van de vorige hoofdstukken bij elkaar in haar analyse van de zwarte piet casus. Het is met name in deze casus dat de ontkenning van veel Nederlanders over hun racistische verleden en heden goed zichtbaar is en haar analyse over de werking van deze ontkenning (het is een onschuldige traditie, het is een kinderfeest) en de consequenties ervan wanneer je racisme wel benoemt, worden dan ook helder.

Daarna volgt nog een coda, waarin Wekker verhaalt over een bijeenkomst bij het Amsterdamse ImagineIC. Uit de interactie in die bijeenkomst blijkt dat, zelfs wanneer het gaat om de lotgevallen van zwarte mensen, nog steeds de witte mens centraal kan komen te staan. Dit centreren van de ervaringen van witte mensen en het negeren van die van zwarte mensen en het machtsspel over wie dat mag bespreken, is een belangrijk aspect van de dominantie van het idee van de witte onschuld.

Koloniaal verleden

Een punt van kritiek zou zijn, aansluitend bij Remco Raben die hier al op wees, is dat waar Wekker heel sterk is in haar beschrijving en analyse van hedendaagse en alledaagse manifestaties van racisme en witte onschuld en hoezeer die gerelateerd zijn aan dat culturele archief, is ze minder sterk in de analyse waar dit nu allemaal vandaan komt. Wat is de relatie tussen de koloniale rol in het verleden en de hedendaagse afkeer van multiculturaliteit: temeer omdat die laatste ook niet altijd hetzelfde is geweest. Zoals Raben stelt: “Toch ontbreekt een gedegen verklaring waarom Nederlanders toch zo’n moeite hebben met het koloniale verleden.” En zou ik daarbij aanvullen, een verklaring waarom die moeite die we hebben met het koloniale verleden nu anders is, dan zeg 30 jaar geleden, geeft Wekker ook niet. We zouden kunnen stellen dat dit ook verder gaat dan haar doel met dit boek, maar het lijken me op z’n minst goede agendapunten voor vervolgonderzoek. De observaties van Wekker blijven toch wat zweven nu ze niet sterk verbonden zijn met de specifieke omstandigheden waarin ‘white innocence’ is opgekomen en gereproduceerd. Hier wreekt zich ook de magere onderbouwing van de methodologie die Wekker geeft. Weliswaar is Said’s begrip cultureel archief geschikt voor wat ze wil doen, maar het is ook niet zonder kritiek. Daarbij komt nog dat Wekker nu haar eigen ervaringen, televisieprogramma’s en oud archief materiaal naast elkaar presenteert zonder enige weging van de bronnen. Zijn deze allemaal gelijkwaardig aan elkaar?

Islam, secularisme en racisme

Een ander punt van kritiek heeft betrekking op hoe ze omgaat met islam. Dit valt in twee aspecten uiteen. Ten eerste haar weergave van het vertoog over vrouwen. Zo stelt ze onder meer: “In contemporary Dutch multiethnic society, Islamic women are represented as sexually backward and oppressed, but dominant representational regimes of Islamic women in the West have undergone radical changes, from hypersexuality in the late nineteenth and early twentieth centuries to current asexuality (Lutz 1991).” Behalve dat er hier echt wel meer bronnen zijn dan deze oude van Lutz, zijn er wel meer representaties van moslimvrouwen dan deze en het is nog maar de vraag hoe dominant deze is. Dat wil niet zeggen dat deze stereotypering niet belangrijk is, integendeel, maar (afgaande op het bestaande onderzoek) gaat deze gepaard met nog een ander stereotype, namelijk die van vrijgevochten moslimvrouwen als sterke individuen die hun eigen keuzes maken. Beide zijn sterke reducties van de dagelijkse realiteit van deze vrouwen en bewegen zich tussen schijnbare tegenstellingen als vrij en onderworpen, maar het zijn vaak deze twee posities waartussen media en beleid laveren in hun handelingen. Haar weergave van het dominante vertoog is mijns inziens hier te eenzijdig en ook blijft onderbelicht hoe 400 jaar aan cultureel archief hierin resoneert. Dit laatste is op meer plekken in het boek het geval en het valt te hopen dat Wekkers boek het begin is van meer onderzoek op dit punt.

Een tweede kritiek in relatie tot islam gaat over de positie van islam een seculiere samenleving. In het hoofdstuk over homonostalgie gaat ze hier enigszins op in (pag 121-122) en stelt ze, terecht: “The entrenchment also speaks from the proliferation of popular TV shows in which young gay people are supported and coached to come out of the closet to their family and friends. We are confronted here with the deep-seated assumptions underlying the supposed opposition between secularism/modernity and religion/traditionalism, whose full weight these days is brought to bear on Muslims, although other others do not escape it either.” Dit is een belangrijk punt dat, mijns inziens, mede verklaart waarom bepaalde vormen van witheid, xenofoob nationalisme en racisme nu zo sterk naar voren komen in een verdediging van zogeheten seculiere en seksuele vrijheden. Maar het is echt onvoldoende gethematiseerd door Wekker. Wat is de rol van de staat hier, die is immers cruciaal als het gaat om seculiere mores? Hoe verklaren we dat moslims enerzijds een behoorlijk stevige infrastructuur hebben weten op te bouwen als het gaat om scholen, moskeeën en andere voorzieningen, terwijl anderzijds zij onderworpen zijn aan systematisch racisme en geweld? Dat begrijpen is volgens mij van essentieel belang om te kunnen begrijpen hoe het systematisch racisme werkt, welke (ogenschijnlijke) tegenstrijdigheden daarin zitten, hoe verschillende (soms tegenstrijdige) vertogen over de islam en de moslims daarin een rol spelen en welke mogelijkheden tot verzet er hier zijn.

Zout in de wonde van de zere plek

Gezien de forse, en vaak racistische en seksistische reacties op Wekker, kunnen we haar boek best zien als zout in de wonde van verschillende zere plekken. Ze maakt zaken beladen waarvan juist zo hard geprobeerd wordt deze te normaliseren en onschuldig te verklaren. Dit doet ze zonder te vervallen in de stelling ‘Alle Nederlanders zijn schuldig’. Alle kritieken die daar vanuit gaan zijn eigenlijk per definitie ongeldig: dat is niet wat ze laat zien en ook niet wat ze wil laten zien. Als je vervolgens doet alsof dat wel het geval is en haar vervolgens ervan beschuldigt geen wetenschapper te zijn, is dat makkelijk scoren maar met serieus te nemen kritiek heeft het weinig te maken.

Het boek van Wekker is verplicht leesvoer voor alle journalisten, activisten, wetenschappers, beleidsmakers, studenten en docenten die zich bezighouden met maatschappelijke kwesties omtrent kolonialisme, racisme, seksisme en politiek. Ze introduceert, voor Nederland althans, een begrippenkader dat niet voor iedereen bekend is en geeft zo nieuw gereedschap aan mensen die serieus onderzoek willen en willen leren op dit terrein. Tegelijkertijd past ze dit voor velen nieuwe begrippenkader toe op fenomenen die voor het Nederlandse publiek maar al te bekend zijn: DWDD, zwarte piet, dagelijkse interacties in het openbaar vervoer. Daarmee maakt ze het gewone ongewoon en dat is precies wat het mogelijk maakt om op een nieuwe afstandelijke manier naar bekende fenomenen te bekijken en wat waarschijnlijk just ook bijdraagt aan de reacties. Het is te hopen dat Wekkers boek het begin wordt van een grote onderzoeksagenda op het gebied van de doorwerking en resonantie van het kolonialisme in de hedendaagse samenleving.

 
White Innocence: Paradoxes of Colonialism and Race. Gloria Wekker. Durham, NC: Duke University Press, 2016, 240 pp. ISBN 978-0-8223-6075-9